puin - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord puin -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

het puin o

  1. een massa vergruizelde steen
    Misschien was ze voorbestemd geweest voor een deftig leven op het platteland, als vrouw van een hoge ambtenaar of zo, maar had ze ervoor gekozen om een ander soort geluk te zoeken in het puin van het naoorlogse Londen.[4]
    Onder het puin lagen honderdduizenden slachtoffers, de elektriciteit was uitgevallen, en hulpverlening kwam pas na weken goed op gang.[5]
    • Gisteren moesten die herrieschoppers het puin voor straf opruimen.
  2. fijne brokjes diamant met lage waarde
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een massa vergruizelde steen

Bijwoord

puin

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord een onredderde toestand

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "puin" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. puin op website: Etymologiebank.nl
  3. puin op website: Etymologiebank.nl

  4. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  5. Roel Coutinho
    “Epidemieën en pandemieën” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025310592
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be