pupil - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pupil pupillen
verkleinwoord pupilletje pupilletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de pupil m

  1. (juridisch) minderjarige onder voogdij
  2. (onderwijs) leerling
    • Hij liet zijn pupillen niet merken dat hij enigszins van zijn stuk was.
  3. (sport) junior, iemand in een jongere leeftijdsklasse
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. onder voogdij staand kind

enkelvoud meervoud
naamwoord pupil pupillen
verkleinwoord pupilletje pupilletjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de pupil v / m

  1. (anatomie) opening in het midden van de iris in het oog
    • Zijn pupillen vernauwden zich toen hij werd blootgesteld aan het felle licht.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "pupil" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Turks

Woordafbreking
enkelvoud meervoud
nominatief pupil pupiller
genitief pupilin pupillerin
datief pupile pupillere
accusatief pupili pupilleri
locatief pupilde pupillerde
ablatief pupilden pupillerden

Zelfstandig naamwoord

pupil

  1. (anatomie) pupil
Synoniemen