pupil - WikiWoordenboek (original) (raw)

- [A]: Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘minderjarige onder voogdij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1643 [1]
- [B]: Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oogappel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
[A] de pupil m
- (juridisch) minderjarige onder voogdij
- (onderwijs) leerling
- Hij liet zijn pupillen niet merken dat hij enigszins van zijn stuk was.
- (sport) junior, iemand in een jongere leeftijdsklasse
1. onder voogdij staand kind
[B] de pupil v / m
- (anatomie) opening in het midden van de iris in het oog
- Zijn pupillen vernauwden zich toen hij werd blootgesteld aan het felle licht.
| 100 % |
van de Nederlanders; |
| 98 % |
van de Vlamingen.[2] |
- 1 2 "pupil" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
pupil
- (anatomie) pupil