raam - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Raam (1) met raam (2) en ruit

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord raam ramen
verkleinwoord raampje raampjes

Zelfstandig naamwoord

het raam o

  1. (Nederlands-Nederlands) (bouwkunde) een opening in de wand of muur van een gebouw om licht door te laten, vaak gevuld met een ruit doorzichtig materiaal zoals glas [4]
    Toeters en vlaggen: Volgens de regionale omroep RTV Oost was het ook druk in de omgeving van het stadion van de club, De Adelaarshorst. Voorbijkomende auto's toeterden erop los en mensen hingen met vlaggen uit het raam.[5]
    Door een klein raam werden we steeds fel verlicht door de bliksem.[6]
  2. (techniek) een kader, een rechthoekige constructie rond een afbeelding
  3. (juridisch), (politiek), (figuurlijk) de basisstructuur van een akkoord of wet waarin slechts de begrenzing van het geheel, en het onderlinge verband van onderdelen, is vastgesteld [7]
    • Dit voorstel past niet in het raam van het akkoord.
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten

Werkwoord

vervoeging van
ramen

raam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ramen
    • Ik raam.
  2. gebiedende wijs van ramen
    • Raam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ramen
    • Raam je?
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "raam" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. raam op website: Etymologiebank.nl

  3. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 224
  4. raam op website: Etymologiebank.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 22 april 2025 Weblink bron “Feest barst los in Deventer na winst Go Ahead Eagles: 'We gaan Europa in!'” (22 april 2025), NOS

  6. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  7. raam op website: Etymologiebank.nl
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

raam m

  1. (bouwkunde) raam.
    «Dooch de raam toe, 't trèk hie!»
    Doe het raam dicht, het tocht hier!
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief raam - raemke - raam - raemkes -
genitief raams - raemkes - raam - raemkes -
locatief rames - rameske - ramese - rameskes -
datief rame - raemke - raam - raemkes -
accusatief raam - raemke - raam - raemkes -