rammelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
rammelen rammelde gerammeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rammelen

  1. absoluut een geluid voortbrengen of er iets loszit [2] [3]
    • De deur rammelt.
  2. (seksualiteit) bronstig zijn of paren [4] [5]
  3. inergatief een geluid veroorzaken met iets dat loszit
    • Er werd aan de deur gerammeld.
  4. ergatief uit elkaar ~ door voortdurend gerammel stukgaan
    • Het hele toestel was uit elkaar gerammeld.
  5. overgankelijk door elkaar ~ schudden
    • Chang sloot zijn sterke kalligrafenhand als een bankschroef om de arm van de jongen en rammelde hem door elkaar.[6]
  6. absoluut, (figuurlijk) niet in orde zijn
    • Die hele rechtszaak rammelt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen

  1. 1 2 "rammelen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. rammelen op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. rammelen op website: Etymologiebank.nl
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Jeffery Deaver (2002), De stenen aap
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be