rei - WikiWoordenboek (original) (raw)

Kinderen dansen een rei.
Schilderij van Hans Thoma op Wikipedia (nl)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rei reien
verkleinwoord reitje reitjes

Zelfstandig naamwoord

de rei m

  1. (verouderd) groep of kring van personen of wezens
    • Der Dicht'ren rei verkiest op 't eenzaam Land te leeven, en wil het groot gewoel der Steden graag begeeven.[6]
  2. (dans), (muziek), (verouderd) een koor van zangers en dansers, dat vroeger met zang en dans een akte of bedrijf van een toneelstuk, afsloot
    • De reien fungeren als rustpunten na emotierijke scènes.[7]
  3. (dans), (verouderd) de dans, en /of het lied, dat door zo'n koor werd gezongen, en/of gedanst
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

1. een groep personen of wezens

3. verkorte vorm van "reidans"

Zelfstandig naamwoord

De Gouden-Handrei in Brugge

de rei v / m

  1. (waterbeheer) gracht, greppel of sloot voor de afwatering
    • In Brugge zijn vele reien.
  2. (verouderd) rechte lijn
    • Een dubbele rei fundamentpalen.
  3. (gereedschap) rechte lat van metaal of hout waarlangs men lijnen kan trekken, kan controleren of een werk vlak of waterpas is
    • Met deze stalen rei kun je een reep linoleum recht afsnijden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
reien

rei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reien
    • Ik rei.
  2. gebiedende wijs van reien
    • Rei!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reien
    • Rei je?

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. rei (reidans) op website: Etymologiebank.nl
  3. "rei" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. rei (gracht, greppel) op website: Etymologiebank.nl
  6. Scriptorum chorus omnis amat nemus & fugit urbes. Horatio
    (Tijdschrift De Denker deel 7 , 1769)
  7. Ui t"Achilles en Polyxena" P.C.Hooft
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Catalaans

enkelvoud meervoud
rei reis

Zelfstandig naamwoord

rei m

  1. koning

Portugees

enkelvoud meervoud
rei reis

Zelfstandig naamwoord

rei m

  1. (regering) koning