rendez-vous - WikiWoordenboek (original) (raw)
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afgesproken samenkomst, afspraak’ voor het eerst aangetroffen in 1581 [1]
- (samenkoppeling) van het Franse rendez en vous. [2]
het rendez-vous o [3]
- afgesproken samenkomst (vooral van geliefden)
| 97 % |
van de Nederlanders; |
| 96 % |
van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "rendez-vous" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ rendez-vous op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud |
meervoud |
|
|
| zonder lidwoord |
met lidwoord |
zonder lidwoord |
met lidwoord |
| rendez-vous |
le rendez-vous |
rendez-vous |
les rendez-vous |
rendez-vous m
- afgesproken samenkomst, afspraak
- (pregnant) afspraakje van geliefden
- plaats van de afgesproken samenkomst, afspraak
- plek waar veel dieren samenkomen (om te jagen, te drinken e.d.)
rendez-vous
- tweede persoon meervoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van rendre
- tweede persoon meervoud gebiedende wijs (impératif présent) van rendre