rijk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rijk rijker rijkst
verbogen rijke rijkere rijkste
partitief rijks rijkers -
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

rijk

  1. (persoon) veel geld en/of eigendommen hebbend
    Rijk zijn is niet hetzelfde als tevreden zijn.[2]
    'Serviesgoed dat de wereldzeeën omspant ' 'Moet mijn man altijd zelf reizen? Is hij niet zo rijk dat hij een ander op pad kan sturen?' Otto kijkt fronsend naar het lemmet dat hij oppoetst.[2]
    'Een kans om rijk te worden.[2]
    'Denk je dat ze met me zouden praten als ik niet zo rijk was?' 'Zijn we rijk?' De woorden rollen uit haar mond voordat ze er erg in heeft.[2]
  2. overvloedig
    En waar bent u op die rampzalige dag? Waar? Staat u tot aan uw ellebogen tussen gesuikerde zoetigheden en rijk gevulde kippenpasteien? Wordt u bedolven door uw zijden kleren en diamanten halssnoeren?' Nella hoort Cornelia zuchten.[2]
  3. uitgebreid, veelomvattend
  4. waardevol
    Als ik de volle maan zie sla ik vreemd genoeg altijd een kruis, kus mijn duim en wijs naar de maan als gebaar van dankbaarheid voor de rijke ervaringen in mijn leven en de mensen om mij heen.[3]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Heel rijk zijn/Het heel erg goed hebben/Heel gelukkig zijn

Denken dat je in een gunstiger positie bent dan in feite het geval is

Iemand die naar een ver oord reist, kan daar gemakkelijk onwaarheden over zichzelf vertellen en zichzelf ophemelen (aangezien diegene daar een volslagen vreemde is)

Vertalingen

1. veel geld en/of eigendommen hebbend

enkelvoud meervoud
naamwoord rijk rijken
verkleinwoord rijkje rijkjes

Zelfstandig naamwoord

het rijk o

  1. (geopolitiek) een staat of natie onder het gezag van een vorst of andere heerser
    • Het rijk van Karel de Grote had geen hoofdstad.
      Alle deelnemers waren etnische Grieken of identificeerden zich als zodanig; er waren heel wat atleten bij afkomstig uit het Ottomaanse rijk.[4]
  2. (biologie) een taxon dat bestaat uit een of meer stammen en dat deel uitmaakt van een domein
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. een staat of natie onder een vorst of heerser

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "rijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 3 4 5
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  4. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Categorieën: