rijkelijk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rijkelijk rijkelijker rijkelijkst
verbogen rijkelijke rijkelijkere rijkelijkste
partitief rijkelijks rijkelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

rijkelijk

  1. overvloedig, niet nauw rekenend
    • Ik wil graag een rijkelijk belegd broodje bestellen.
      Ik bestelde een lunch bestaande uit vier dikke pannenkoeken, rijkelijk belegd met boter en ahornsiroop.[1]

Bijwoord

  1. Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)[2]
Vertalingen

1. overvloedig, niet nauw rekenend

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen