rijkelijk - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rij·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | rijkelijk | rijkelijker | rijkelijkst |
| verbogen | rijkelijke | rijkelijkere | rijkelijkste |
| partitief | rijkelijks | rijkelijkers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
rijkelijk
- overvloedig, niet nauw rekenend
- Ik wil graag een rijkelijk belegd broodje bestellen.
▸ Ik bestelde een lunch bestaande uit vier dikke pannenkoeken, rijkelijk belegd met boter en ahornsiroop.[1]
- Ik wil graag een rijkelijk belegd broodje bestellen.
Bijwoord
- ▸ Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)[2]
Vertalingen
1. overvloedig, niet nauw rekenend
Gangbaarheid
- Het woord rijkelijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "rijkelijk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |