rijp - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijp -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de rijp m

  1. (meteorologie) (Nederlands-Nederlands) rijm, aangevroren dauw of mist
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

de rijp m

  1. (Noordoost-Nederlands) stenen voetpad
  2. (verouderd) oever, waterkant, rand

Werkwoord

vervoeging van
rijpen

rijp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
    • Ik rijp.
  2. gebiedende wijs van rijpen
    • Rijp!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
    • Rijp je?
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rijp rijper rijpst
verbogen rijpe rijpere rijpste
partitief rijps rijpers -

Bijvoeglijk naamwoord

rijp

  1. de eetbare toestand bereikt hebbend
    • Alleen de rijpe vruchten zijn lekker.
  2. (figuurlijk) tot volwassenheid gekomen zijnde
    • Hij is rijp voor de tien kilometer.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. geschikt voor de oogst

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. rijp op website: Etymologiebank.nl

  2. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 247
  3. rijp op website: Etymologiebank.nl
  4. "rijp" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  5. rijp op website: Etymologiebank.nl

  6. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 414
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be