rijvak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Vier rijvakken voor een verkeerslicht.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijvak rijvakken
verkleinwoord rijvakje rijvakjes

Zelfstandig naamwoord

het rijvak o

  1. (verkeer) met strepen op het wegdek afgebakend deel van een weg waarop auto's achter elkaar rijden
    • Een van de rijbanen is beschadigd door een bominslag zodat alle verkeer over een rijvak moet. [1]
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Estrade, B.Basra doelwit hevige aanvallen geallieerden (1 februari 1991) op website: nrc.nl; geraadpleegd 2017-06-21
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be