rijzen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
rijzen 'rɛɪzə(n) rees res gerezen ɣə're.zə(n)
klasse 1 volledig

Werkwoord

rijzen

  1. ergatief opstijgen, opgaan
    • Japan is het land van de rijzende zon.
  2. ergatief (kookkunst) (van brood of beslag) uitzetten en luchtig worden
    • Het deeg is nog niet voldoende gerezen.
  3. ergatief naar voren komen, zich aandienen
    • Er rijst een vraag.
    • Er zijn dienaangaande enige bezwaren gerezen.
  4. ergatief loslaten en afvallen van een aantal zeer kleine gedeelten
    • De naalden rijzen van de dennenboom.
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

2. uitzetten en luchtig worden

Zelfstandig naamwoord

de rijzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rijs

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. "rijzen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. rijzen op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be