rist - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rist risten
verkleinwoord ristje ristjes

Zelfstandig naamwoord

de rist v / m

  1. een groep zaken die op regelmatige wijze zijn geordend
    • De regering nam een rist beslissingen.
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
rissen

rist

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rissen
    • Jij rist.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rissen
    • Hij rist.
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van rissen
    • Rist!
vervoeging van
risten

rist

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van risten
  2. gebiedende wijs van risten

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "rist" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. rist op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 7033

Zelfstandig naamwoord 1:

znw 1 enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief rist m: ristenv: rista rister ristene
genitief rists m: ristensv: ristas risters ristenes

Zelfstandig naamwoord

rist, m / v

  1. rooster
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord 2:

znw 2 + 3 enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief rist ristet rist ristaristene
genitief rists ristets rists ristasristenes

Zelfstandig naamwoord

rist, o

  1. (het) schudden
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties

(van) nee knikken, met het hoofd nee schudden, (van) nee schudden, schuddebollen

iets uit zijn mouw schudden

schudden van het lachen

Zelfstandig naamwoord 3:

Zelfstandig naamwoord

rist, o

  1. (zoötomie) schub (van vissen)
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord 4:

Zelfstandig naamwoord

rist, o

  1. onbepaalde vorm genitief enkelvoud van rist

Zelfstandig naamwoord 5:

Zelfstandig naamwoord

rist

  1. rust, gebruikt alleen in de uitdrukking: ikke ha rist eller ro (på seg)
Synoniemen