rock - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rock -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

de rock m

  1. (muziek) een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
    • Ik luister liever naar rock dan naar house.
  2. een dansstijl horende bij deze muziekstijl
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
rocken

rock

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rocken
    • Ik rock.
  2. gebiedende wijs van rocken
    • Rock!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rocken
    • Rock je?

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "rock" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
rock rocks
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
  1. (zelfstandig naamwoord) Van Middelengels rocke/rokke, van Oudengels *rocc, van Oudnormandisch roc/roque (verwant aan het moderne Franse roche). Oorspronkelijk waarschijnlijk Keltisch, vanwege de overeenkomst met het Ierse roc en het Bretonse roch.
  2. (werkwoord) Van Middelengels rokken, van Oudengels roccian. Verwant met het Oudnoorse rykkja (trekken, scheuren, bewegen), Middelnederlands rucken (modern Nederlands rukken), Oudhoogduits rucchan (modern Duits rücken).

Zelfstandig naamwoord

rock

  1. rots
  2. steen
  3. gesteente
  4. ijsklontje
  5. suikerklontje
  6. rock (muziek- en/of dansstijl, afkorting van rock and roll)
  7. Afrikaner
  8. dom persoon
  9. stukje crack (cocaïne)
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening

Werkwoord

rock

  1. heen en weer bewegen
    • During the storm, the boat rocked violently on the waves.
    • (Tijdens de storm bewoog de boot hevig heen en weer op de golven.).
  2. opschudden, een emotioneel evenwicht doorbreken
    • British politics was rocked by another scandal.
    • (De Britse politiek werd opnieuw opgeschud door een schandaal.).
  3. uitmunten
    • This band rocks!
    • (Deze band is heel goed!).

Fries

Zelfstandig naamwoord

rock

  1. (muziek) rock; een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
Schrijfwijzen

Meer informatie

Pools

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rock m

  1. (muziek) rock; een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren

Meer informatie

Slowaaks

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rock m

  1. (muziek) rock; een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
Schrijfwijzen

Meer informatie

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rock monbezield

  1. (muziek) rock; een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | rock | rocky | | genitief | rocku | rocků | | datief | rocku | rockům | | accusatief | rock | rocky | | vocatief | rocku | rocky | | locatief | rocku | roccích / rockách | | instrumentalis | rockem | rocky |

Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie