roe - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord roe roes
verkleinwoord roetje roetjes

Zelfstandig naamwoord

de roe v / m

  1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
    Hij sleurde de abt bij zijn haren uit het smalle bed, smeet hem op de vloer en sloeg hem met een roe waar hij hem raken kon, onder het zingen van het lied 'O Pastor Alterne'.[1]
  2. een ronde of platte metalen buis waarmee traplopers, gordijnen e.d mee worden vastgezet
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. bundel takken waarmee geslagen kan worden

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

Engels

Zelfstandig naamwoord

roe

  1. (evenhoevigen) ree

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
roer

roe

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van roer
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van roer