rok - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Gelijkklinkende woorden
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rok rokken
verkleinwoord rokje rokjes

Zelfstandig naamwoord

de rok m

  1. (kleding) een voornamelijk door vrouwen (in o.a. Schotland ook door mannen) gedragen buis- of kegelvormig kledingstuk dat om de taille wordt gedragen en een deel van de benen bedekt
    Haar bovenlichaam was volmaakt, haar rok als een stilleven van stof over de vorm haar dijen.[6]
    Een jonge jongen in een Schotse rok kwam keihard in een stofwolk de berg af rennen en sprong onmiddellijk op Pogues rug.[7]
  2. (kleding) type avondkleding, rokkostuum
  3. (beschrijvende plantkunde) membraan [1], omhullend vlies, tunica [3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] kledingstuk

Eigen familie gaat voor

Iemand (m.n. een vrouw) het hof willen maken, een vrouw proberen te versieren

Die vrouw heeft niets, zij is erg arm

Overerving en ontlening
Vertalingen

1. buis- of kegelvormig kledingstuk

Werkwoord

vervoeging van
rokken

rok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rokken
    • Ik rok.
  2. gebiedende wijs van rokken
    • Rok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rokken
    • Rok je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. rok op website: Etymologiebank.nl
  3. rok op website: Etymologiebank.nl
  4. rok op website: Etymologiebank.nl
  5. "rok" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  6. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  7. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord rok rokke

Zelfstandig naamwoord

rok

  1. (kleding) jurk
Spreekwoorden

Hoogsilezisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok

  1. jaar

Meer informatie

Indonesisch

Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok

  1. (kleding) rok, jurk
    «Murid perempuan memakai blus berwarna putih dan rok berwarna abu-abu.»
    Studentes dragen een witte bloes en een grijze rok.
  2. (muziek) rock

Kasjoebisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok

  1. jaar

Meer informatie

Oudsaksisch

Zelfstandig naamwoord

rok

  1. rook; een zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt

Pools

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok m

  1. jaar

Meer informatie

Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok m

  1. jaar
    «Je o dva roky starší ako ty.»
    Hij is twee jaar ouder dan jij.
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen

Meer informatie

Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

rok monbezield

  1. (tijdrekening) jaar; een periode van 1 januari tot 31 december
    «Narodil jsem se v roce 1976.»
    Ik ben geboren in (het jaar) 1976.
  2. (eenheid)(tijdrekening) jaar; de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen
    «Na vojnu se dnes chodí na rok
    De dienstplicht duur tegenwoordig een jaar_._
  3. (tijdrekening) jaar; een periode van twaalf maanden of korter verbonden met een bepaalde activiteit
    «Školní rok trvá od září do června.»
    Het schooljaar duurt van september tot juni.
  4. (tijdrekening) jaar; de duur van de omloop van een planeet om haar ster
    «Doba, za kterou Mars oběhne kolem Slunce, se říká marsovský rok
    De periode, waarin Mars een rondje om de zon draait, wordt een marsjaar genoemd.
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | rok | roky | | genitief | roka / roku | roků | | datief | roku | rokům | | accusatief | rok | roky | | vocatief | roku | roky | | locatief | roce / roku | rocích | | instrumentalis | rokem | roky |

Synoniemen
  1. kalendářní rok monbezield
  2. (in meervoud) léta omv
Afkorting
  1. r.
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
čtvrtrok monbezield napřesrok (bw.) narok (bw.) půlrok monbezield roček monbezield roční růček monbezield
Typische woordcombinaties
astronomický rok monbezield – astronomisch jaar čtvrt roku – een kwart jaar finanční rok monbezield – financieel jaar hospodářský rok monbezield kalendářní rok monbezield marsovský rok monbezield – mars_jaar_ Nový rok monbezield přestupný rok monbezield rok výroby monbezield – bouw_jaar_ světelný rok monbezield školní rok monbezield za rok – over een jaar
Verwante begrippen
coročně (bw.) coroční den monbezield hodina v každoročně (bw.) každoroční letos (bw.) měsíc monbezield minuta v ročák m ročenka v ročně (bw.) ročník monbezield sekunda v / vteřina v sezóna v století o týden monbezield úrok monbezield výroční
Uitdrukkingen en gezegden

Verwijzingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

rok monbezield

  1. (verouderd) bespreking, discussie
Verbuiging

| | enkelvoud | meervoud | | | ---------------------------------------------------------------------------- | ---------------------------------------------------------------------------------------------- | ------------------------------------------------------------------------------------------------- | | nominatief | rok | roky | | genitief | roku | roků | | datief | roku | rokům | | accusatief | rok | roky | | vocatief | roku | roky | | locatief | roku | rocích | | instrumentalis | rokem | roky |

Synoniemen
Afgeleide begrippen