rommelen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
rommelen rommelde gerommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rommelen

  1. aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
    • Hij rommelde wat in de schuur in afwachting van het belangrijke telefoontje.
      Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.[3]
  2. laag geluid maken
    • De donder rommelde wat in de verte.
  3. stiekem vrijen, elkaar liefkozen
    We rommelden niet zoveel in de bioscoop, dat bewaarden we voor het Vasaparken op de terugweg.[4]
  4. niet helemaal eerlijk handelen
    • De gemeente rommelt met de belastingen.
  5. onpersoonlijk (meteorologie) hoorbaar donderen op enige afstand
    • Het begon eerst te rommelen en even later vielen de eerste druppels al.
  6. onpersoonlijk (figuurlijk) heersen van ruzies of spanningen
    • Het rommelt in het kabinet.
Hyperoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. rommelen op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Echte Amerikaanse jeans” (2017), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044632767
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be