aanklooien, zonder plan of doel maar wat bezig zijn
Hij rommelde wat in de schuur in afwachting van het belangrijke telefoontje. ▸ Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.[3]
laag geluid maken
De donder rommelde wat in de verte.
stiekem vrijen, elkaar liefkozen ▸ We rommelden niet zoveel in de bioscoop, dat bewaarden we voor het Vasaparken op de terugweg.[4]