ruis - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruis ruizen
verkleinwoord ruisje ruisjes

Zelfstandig naamwoord

de ruis m

  1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
    • De zender is uitgevallen en nu hoor je alleen maar ruis.
  2. (straalvinnigen) bepaald soort zoetwatervis, Scardinius erythrophthalmus op Wikispecies
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat

Werkwoord

vervoeging van
ruisen

ruis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruisen
    • Ik ruis.
  2. gebiedende wijs van ruisen
    • Ruis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruisen
    • Ruis je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. ruis op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be