safari - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sa·fa·ri
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘karavaantocht’ voor het eerst aangetroffen in 1947 [1]
- safari betekent oorspronkelijk reis in het Swahili.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | safari | safari's |
| verkleinwoord | safarietje | safarietjes |
Zelfstandig naamwoord
- expeditie in de wildgebieden in Afrika
- We zijn naar Kenia op safari gegaan.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- safari-jeep, safaribus, safariganger, safarilook, safarimier, safaripak, safaripark, safaritocht, safaritoerisme
Vertalingen
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
Gangbaarheid
- Het woord safari staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "safari" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "safari" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| safari | safaris |
Zelfstandig naamwoord
safari
Frans
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| safari | le safari | safaris | les safaris |
Zelfstandig naamwoord
safari m
Italiaans
Uitspraak
Woordafbreking
- sa·fa·ri
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| safari | safari |
safari m
Swahili
Zelfstandig naamwoord
safari