sarren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
sarren sarrend
gesar gesard
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
sarren /'sɑrən/ sarde /'sɑrdə/ gesard /ɣə'sɑrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

sarren

  1. overgankelijk voortdurend lastig vallen
    • Als je een kat gaat sarren kun je wel eens een haal krijgen.
      Tibetanen die het Westen komen laten zien hoe rijk hun cultuur is, en ze doen dat om de Europeanen te attenderen op hun treurige lot: al bijna veertig jaar worden ze gesard door de Chinezen.[2]
Synoniemen
Vertalingen

1. iemand voortdurend lastig vallen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "sarren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink Weblink bron “Ook ironie en zelfspot kunnen politiek theater niet redden” (26 januari 1998), de Volkskrant
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be