scheren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw

[A]

[B]

stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
scheren /'sxɪːrə(n)/ schoor /sxɔːr/ geschoren /ɣə'sxɔrə(n)/
klasse 2 volledig
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
scheren /'sxɪːrə(n)/ scheerde /sxɪːrdə/ gescheerd /ɣə'sxɪːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

[A] scheren

  1. overgankelijk met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
    • Hij schoor de schapen en verzamelde de wol.
      Dit alles schonk hem een moeilijk uit te leggen innerlijke vrede, ook wanneer hij zich 's ochtends voor de gebarsten spiegel schoor in het schijnsel van de petroleumlamp of in zijn wolfshuid de veranda op stapte en diep door zijn neus inademde.[7]
      Hij was gekleed in een uniform met de aanduidingen van de SOE en de rang van sergeant, gedoucht en geschoren toen hij op de afrondende afspraak verscheen met kolonel Grumpy, zoals iedereen de chef noemde, en zijn twee assistenten.[8]
  2. wederkerend zich ~: zich de baard kort afsnijden
    Niemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.[9]
  3. ergatief rakelings over een oppervlak bewegen
    • De zwaluwen scheerden over het water van het meertje.
      Een asteroïde met de omvang van een bus is rakelings langs de aarde gescheerd.[10]
  4. wederkerend, (verouderd) zich ~ zich ergens vandaan verwijderen, zich uit de voeten maken
    • Scheer je weg!
  5. overgankelijk ordenen, rangschikken
  6. overgankelijk volgens een rechte lijn bijhakken/-snijden
  7. overgankelijk spannen
  8. overgankelijk, (verouderd) toebedelen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Alles en iedereen gelijk stellen

Gemakkelijk grote winsten maken

Als er op iemand kritiek komt, kan diegene beter even wachten alvorens met een weerwoord te komen

Er de winst uit halen

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

2. zich de baard kort afsnijden

3. rakelings over een oppervlak bewegen

alles over één kam scheren

stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
scheren /'sxɪːrə(n)/ schoor /sxɔːr/ geschoren /ɣə'sxɔrə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

[B] scheren

  1. overgankelijk bespotten, de spot drijven met, grappen maken met
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Ergens mee opgescheept zijn

Zelfstandig naamwoord

de scheren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord scheer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[11]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. scheren op website: Etymologiebank.nl

  2. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 443-44
  3. "scheren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. scheren op website: Etymologiebank.nl
  5. scheren op website: Etymologiebank.nl
  6. scheren op website: Etymologiebank.nl

  7. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142

  8. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628265

  9. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  10. Bronlink Weblink bron “Kack” (28 januari 2012)
  11. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden tijd voltooid deelwoord
scheren scherte/schor geschert/geschoren
zwak volledig Klasse 2 sterk

Werkwoord

scheren

  1. overgankelijk interesseren [1], aangaan [3]
  2. wederkerend sich~ zich bekommeren
  3. overgankelijk scheren [1], lichaamshaar afsnijden