scheur - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord scheur scheuren
verkleinwoord scheurtje scheurtjes

Zelfstandig naamwoord

de scheur v / m

  1. een kloof in een vlies of weefsel
    • Er zat een scheurtje in zijn jas.
      Ook in die wanden zitten scheurtjes. Om dat te herstellen heb je een hele aparte aanpak nodig. Die expertise is in ons kleine landje niet makkelijk te vinden."[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een kloof in een vlies of weefsel

Werkwoord

vervoeging van
scheuren

scheur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheuren
    • Ik scheur.
  2. gebiedende wijs van scheuren
    • Scheur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheuren
    • Scheur je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "scheur" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. scheur op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron “Plan voor restauratie Soestdijk gepresenteerd: 'Geen gemakkelijke klus'” (3/6/2020), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be