schieten - WikiWoordenboek (original) (raw)

[1] Schieten.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
schieten /sxitə(n)/ schoot /sxot/ geschoten /ɣəsxotə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

schieten

  1. overgankelijk een projectiel afvuren met een wapen
    Het schieten hield tot mijn grote opluchting snel hierna op.[2]
  2. inergatief (sport) de bal een trap geven (bv. in het voetbal) of een slag geven (bv. met een hockeystick)
  3. ergatief zich snel voortbewegen
    • Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.
  4. plotseling iets doen
    Ik corrigeer mezelf: niet te veel in mijn rol als therapeut schieten, ik hoef me niet in te houden.[3]
    We schieten in de lach.[3]
  5. (plantkunde), (figuurlijk) snel groeien
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een projectiel afvuren met een wapen

als paddenstoelen uit de grond schieten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "schieten" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be