schuitje - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schuit·je
Zelfstandig naamwoord
het schuitje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord schuit
- (werktuigbouwkunde) houdertje voor de schietspoel in een weef-of naaimachine
▸ Houd de spoelhouder aan de draaisluiting vast. (5)- Plaats deze in het schuitje. (6).[1]
Uitdrukkingen en gezegden
- In hetzelfde schuitje varen/zitten
Gezamenlijk in dezelfde (vaak ongunstige) omstandigheden verkeren, hetzelfde lot ondergaan
Gangbaarheid
- Het woord schuitje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schuitje" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 97 % | van de Vlamingen.[2] |