schuitje - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

Zelfstandig naamwoord

het schuitje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord schuit
  2. (werktuigbouwkunde) houdertje voor de schietspoel in een weef-of naaimachine
    Houd de spoelhouder aan de draaisluiting vast. (5)- Plaats deze in het schuitje. (6).[1]
Uitdrukkingen en gezegden

Gezamenlijk in dezelfde (vaak ongunstige) omstandigheden verkeren, hetzelfde lot ondergaan

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen