schut - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schut schutten
verkleinwoord schutje schutjes

Zelfstandig naamwoord

het schut o

  1. een houten afsluiting tegen water of wind [2]
    • Mag ik daar een schut plaatsen?
  2. een passage door een (schut)sluis
    • En na een schut waren we op het IJsselmeer.
  3. voor ~ zetten belachelijk maken [3]
    • Hij voelde zich een beetje voor schut gezet.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
geschut schutblad schutbril schutdek schutdeur schutgeel schutgeld schuthoogte schutjassen schutkleur schutkolk schutkring schutlengte schutmeester schutnet schutpaal schutsboom schutsel schutsengel schutsheer schutsheilige schutskring schutsluis schutspatroon schutsvrouw schutswapen schutter schutting schutwijk
Vertalingen

1.

Engels: screen (en), wall (en) Spaans: tabique (es) m

Werkwoord

vervoeging van
schutten

schut

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van schutten
  2. gebiedende wijs van schutten

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. schut op website: Etymologiebank.nl
  2. schut op website: Etymologiebank.nl
  3. schut op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be