slag - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- slag
Woordherkomst en -opbouw
- In de betekenis van ‘klap’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
- In de betekenis van ‘soort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1638 [1]
- Naamwoord van handeling van slaan.
[A]
| 1-3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | slag | slagen |
| verkleinwoord | slagje | slagjes |
Zelfstandig naamwoord
de slag m
- (militair) militair treffen
- Adolf van Nassau bleef in de slag.
- De Slag aan de Somme was een grote slag tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarbij meer dan een miljoen slachtoffers vielen [2]
▸ De Slag om de Schelde was hierbij heel belangrijk. Soldaten uit Canada, Groot-Brittannië en Polen vochten vijf weken lang tegen soldaten uit Duitsland. Het was heel zwaar maar uiteindelijk wonnen ze. Dit werd afgelopen weekend herdacht in Terneuzen.[3]
▸ Wie dit soort momenten heeft meegemaakt, weet dat de geschiedenis van volkeren wordt bepaald door de uitslag van de grote slagen.[4]
- het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
- De slagen regenden neer op zijn gezicht.
- (figuurlijk) een pijnlijke of nadelige gebeurtenis
- Hij kreeg slag op slag te verwerken, eerst stierf zijn vrouw, daarna zijn zoon.
- (kaartspel) een aantal kaarten, van iedere speler gewoonlijk één, die door een bepaalde speler gewonnen worden
- Door de lengte van zijn troefkaart wist hij nog twee slaagjes te winnen.
- geluid gemaakt door een ontploffing of een klap (slagwerk)
- het slaan van het hart (hartslag) dat voelbaar is aan de pols (polsslag)
- beweging van de armen bij zwemmen (zwemslag)
- beweging van de benen bij schaatsen (schaatsslag)
- een draaiing van iets (een slag in het haar)
- de keer dat iets ronddraait
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Een slag om de arm houden
niet direct alles vertellen of voorzichtig zijn om toekomstige problemen voor te zijn
- Ergens slag van hebben
iets handig kunnen doen
- Ergens een slag naar slaan
raden
- In het hoekje zitten waar de slagen vallen
zich in een groep bevinden die altijd het moeilijk heeft of problemen krijgt
- Je een slag in de rondte werken
- Met de Franse slag doen
een taak (uit desinteresse) niet goed afmaken ofwel: weinig tijd/moeite in iets steken
- Zijn slag slaan
op het goede moment de kansen benutten, bv dingen kopen
- Zonder slag of stoot overgeven/etc
zonder verzet
- [2] aan de slag gaan
beginnen
- van slag zijn
ergens zodanig emotioneel door getroffen zijn dan men niet goed kan handelen
∗ Mensen zijn van slag en geschokt. Na een maand waarin iedereen verwachtte dat het zou gaan gebeuren, waren we er zo'n beetje over uit dat die nog best een tijd vol zou kunnen houden. Dit is een donderslag bij heldere hemel en Rome zal vandaag in rouw zijn."[5]
Vertalingen
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
aan de slag kunnen
- Duits: eine Arbeit bekommen, arbeiten können
[B]
| 4 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | slag | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
het slag o
- een soort of categorie, gewoonlijk van mensen
- Mensen van zijn slag beginnen zeldzaam te worden.
Vertalingen
1. een soort of categorie, gewoonlijk van mensen
Gangbaarheid
- Het woord slag staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "slag" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 98 % | van de Vlamingen.[6] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- 1 2 "slag" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Wikipedia
- ↑
Weblink bron
nieuwsbegrip.nl
“75 jaar vrijheid in Nederland” (2-9-2019), CED-groep - ↑
Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
“Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus
, ISBN 9789044625691 - ↑
Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Engels
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- Bekend sinds ca. 1550, van Nedersaksisch slagge[1]
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| slag | slags |
Zelfstandig naamwoord
slag
- sintel
- (metallurgie) slak [2]
- (scheldwoord) slet
- (scheldwoord) waardeloos iemand
Werkwoord
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to slag |
| he/she/it | slags |
| verleden tijd | slagged |
| voltooid deelwoord | slagged |
| onvoltooid deelwoord | slagging |
| gebiedende wijs | slag |
slag