slap - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slap slapper slapst
verbogen slappe slappere slapste
partitief slaps slappers -

Bijvoeglijk naamwoord

slap

  1. stevigheid ontberend
    Daar is de zuidwestelijke teen van Engeland die een slap trapje naar het noorden van de Atlantische Oceaan geeft, daar is het Kanaal, knipper eenmaal met je ogen en je hebt het gemist, daar is Brussel en Amsterdam en Hamburg en Berlijn, hoewel in onzichtbare inkt op grijsgroen vilt getekend, daar is Denemarken in zijn dolfijnensprong naar Noorwegen en Zweden, daar zijn de Oostzee en de Baltische staten en dan ineens Rusland.[2]
    Ze pakte zijn hand, die hij slap in de hare liet hangen.[3]
    • Deze slappe aandrijfriem moet strakgetrokken worden.
  2. overdrachtelijk: laf, onmachtig, kordaatheid ontberend
    Het waren allemaal, zoals zij dat noemde, 'heteromieten' geworden, mannen met wie er niets gebeurde, die niet meer vreeën en zich beperkten tot slap geflirt en te pas en te onpas hartstochtelijke sms'jes verstuurden.[4]
    • Dat was gewoon slap van je.
    • Hij had de slappe lach.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slappen

slap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slappen
    • Ik slap.
  2. gebiedende wijs van slappen
    • Slap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slappen
    • Slap je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "slap" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3

  2. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625

  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704

  4. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Deens

Woordafbreking

Werkwoord

slap

  1. gebiedende wijs van slappe

Werkwoord

slap

  1. verleden tijd van slippe

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
vervoeging
onbepaalde wijs to slap
he/she/it slaps
verleden tijd slapped
voltooid deelwoord slapped
onvoltooid deelwoord slapping
gebiedende wijs slap

Werkwoord

slap

  1. overgankelijk een klap geven, meppen, slaan
  2. onovergankelijk klepperen, kletteren
enkelvoud meervoud
slap slaps

Zelfstandig naamwoord

slap

  1. klap, mep, slag

Bijvoeglijk naamwoord

slap

  1. eensklaps, plotseling
  2. met een klap

Verwijzingen

  1. Online Etymology Dictionary