slee - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slee sleeën
verkleinwoord sleetje sleetjes

Zelfstandig naamwoord

de slee v / m [2] [3]

  1. (verkeer) een vervoermiddel dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
  2. voorwerp dat gelijkenis hiermee vertoont en kan glijden bijv. een braadslee of een zaagslee
  3. (informeel) zeer luxueuze personenauto
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slee sleeër sleest
verbogen sleeë sleeëre sleeste
partitief slees sleeërs -

Bijvoeglijk naamwoord

slee [4]

  1. zuur, scherp, wrang, de tanden stroef makend
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
sleeën

slee

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleeën
    • Ik slee.
  2. gebiedende wijs van sleeën
    • Slee!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleeën
    • Slee je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "slee" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be