slenteren - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
slenteren slenterde geslenterd
zwak -d volledig

Werkwoord

slenteren

  1. ergatief langzaam en futloos/lusteloos ergens heen lopen
    • Hij was met tegenzin naar huis geslenterd.
  2. inergatief langzaam lopen zonder specifiek doel
    • Er werd naar zijn zin te veel geslenterd.
  3. inergatief, (verouderd) slabakken, talmen, treuzelen
  4. inergatief, (verouderd) kruipen ww , slingeren
Vertalingen

1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos

2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "slenteren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be