slepen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
slepen slepend
sleep gesleept
Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
slepen sleepte gesleept
zwak -t volledig

Werkwoord

slepen

  1. overgankelijk trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
    • De panter sleepte zijn prooi naar een boom en hees de antilope op een tak.
      Ze sleepten zelfs een oud matras vijf kilometer met zich mee.[3]
  2. wederkerend zich ~ moeizaam voortbewegen
    • De verwonde voetganger sleepte zich naar de kant van de weg.
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

iets bemachtigen

Vertalingen

1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen

Werkwoord

vervoeging van
slijpen

slepen

  1. meervoud verleden tijd van slijpen
    • Wij slepen.
    • Jullie slepen.
    • Zij slepen.

Zelfstandig naamwoord

de slepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sleep

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "slepen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. slepen op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be