sloot - WikiWoordenboek (original) (raw)

Sloot [1]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sloot sloten
verkleinwoord slootje slootjes

Zelfstandig naamwoord

de sloot v / m

  1. smalle watergang om of tussen weilanden
    • De auto vloog over een sloot en kwam in een weiland tot stilstand.
  2. (informeel) aanzienlijke hoeveelheid
    • Ik heb vandaag al een sloot water gedronken.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

van slechte omstandigheden in nog slechtere omstandigheden geraken

voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen

Oude problemen die niet meer ter zake doen oprakelen

het net halen

Vertalingen

1. smal watergang om of tussen weilanden

Werkwoord

vervoeging van
sluiten

sloot

  1. enkelvoud verleden tijd van sluiten
    • Ik sloot.
    • Jij sloot.
    • Hij, zij, het sloot.
      'Hè Cas, toe nou ' Maar jij sloot je ogen en mompelde: 'Mag die muziek alsjeblieft uit?' Een week later was je er weer.[2]
      Ik sloot mijn ogen.[2]
vervoeging van
sloten

sloot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van sloten
  2. gebiedende wijs van sloten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "sloot" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be