slopen - WikiWoordenboek (original) (raw)

Het slopen van de gebouwen rond het stadhuis van Den Haag

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
slopen sloopte gesloopt
zwak -t volledig

Werkwoord

slopen

  1. een structuur ontmantelen, afbreken
    • Deze auto kan beter gesloopt worden.
  2. fysiek uitputten
    • Na de hardloopwedstrijd was ik gesloopt.
      Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een structuur ontmantelen, afbreken

Werkwoord

vervoeging van
sluipen

slopen

  1. meervoud verleden tijd van sluipen
    • Wij slopen.
    • Jullie slopen.
    • Zij slopen.

Zelfstandig naamwoord

de slopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sloop

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "slopen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. slopen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be