smash - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smash smashes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

de smash m

  1. (sport) (volleybal, tennis, badminton e.d.) snelle slag waarmee getracht wordt de bal in de helft van de tegenstanders in te slaan
    • Met een uitstekende smash wist hij het winnende punt te scoren.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
smashen

smash

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smashen
    • Ik smash.
  2. gebiedende wijs van smashen
    • Smash!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smashen
    • Smash je?

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "smash" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
smash smashes

Zelfstandig naamwoord

smash

  1. slag, klap
  2. (sport) smash
vervoeging
onbepaalde wijs to smash
he/she/it smashes
verleden tijd smashed
voltooid deelwoord smashed
onvoltooid deelwoord smashing
gebiedende wijs smash

Werkwoord

smash

  1. botsen
  2. breken
  3. verpletteren
Synoniemen