smoes - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smoes smoezen
verkleinwoord smoesje smoesjes

Zelfstandig naamwoord

de smoes v / m [3]

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) praatje, uitvlucht, verzinsel als uitvlucht, voorwendsel [4] [5]
  2. turfkluit [6] [7]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
smoezen

smoes

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
    • Ik smoes.
  2. gebiedende wijs van smoezen
    • Smoes!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
    • Smoes je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "smoes" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. smoes op website: Etymologiebank.nl
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. smoes op website: Etymologiebank.nl
  7. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be