smoes - WikiWoordenboek (original) (raw)
- Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘uitvlucht’ voor het eerst aangetroffen in 1901 [1]
- Herkomst: Jiddisj [2]
de smoes v / m [3]
- (Jiddisch-Hebreeuws) praatje, uitvlucht, verzinsel als uitvlucht, voorwendsel [4] [5]
- turfkluit [6] [7]
smoes
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
- gebiedende wijs van smoezen
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smoezen
| 100 % |
van de Nederlanders; |
| 99 % |
van de Vlamingen.[8] |
- ↑ "smoes" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ smoes op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ smoes op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be