snee - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snee snedensneeën
verkleinwoord sneetje sneetjes

Zelfstandig naamwoord

de snee v / m [3]

  1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
    • Hij had een flinke snee in zijn gezicht.
  2. een afgesneden plak, meestal van brood
    • Wil je twee sneetjes of drie?
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp

2. een afgeneden plak, meestal van brood

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. snee op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief snee (sneeuwe?)
genitief snees, sneuwes
datief snee, sneeuwe
accusatief snee

Zelfstandig naamwoord

snee m [1]

  1. sneeuw
    «Daer en was no rijm no snee,
    Daer en dede hem de wint niet wee,»[2]
    Er was noch rijp noch sneeuw daar
    de wind deed hem daar geen pijn

Verwijzingen

  1. Middelnederlandsch Woordenboek
  2. Bronlink Weblink bron “Reis van Sint Brendaan” (vroeg 15e eeuw)