snierken - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
snierken snierkte gesnierkt
zwak -t volledig

Werkwoord

snierken

  1. inergatief bloedstollend krijsen
    • Sommige kleuters snierken dat je nekharen ervan overeind gaan staan.
  2. overgankelijk boven een vuurtje roosteren
    • Regelmatig bracht ik kleine lapjes gepikt vlees en andere levensbehoeften mee. Ik verborg dat in m'n tjawat (lendedoekje) tussen m'n bovenbenen. Wanneer ik bij m'n kongsi kwam zei ik: "Het is weer klote zooi". 's Avonds zaten we dan boven een vuurtje lekker te "snierken".[1]
  3. (vulgair) een man met de hand bevredigen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. |Adrie Kannegieter. Japans krijgsgevangene 1943.