snoepgoed - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snoepgoed
verkleinwoord snoepgoedje snoepgoedjes

Zelfstandig naamwoord

het snoepgoed o

  1. (voeding) lekkernij, gemaakt van suiker, gom, aromaten enz
Verwante begrippen
Vertalingen

1.

Engels: candy (en), sweet (en) Spaans: dulce (es) m, golosinas (es) v mv

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be