snuit - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snuit snuiten
verkleinwoord snuitje snuitjes

Zelfstandig naamwoord

de snuit m

  1. (zoötomie) reukorgaan van dieren
    • Honden en katten met een platte snuit mogen voortaan niet meer meevliegen met Brussels Airlines.[5]
  2. (anatomie), (informeel) gezicht

snuit m, o

  1. (textielindustrie) vezels die na het bewerken van vlas als afval overblijven
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
snuiten

snuit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van snuiten
  2. gebiedende wijs van snuiten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. snuit op website: Etymologiebank.nl
  3. snuit op website: Etymologiebank.nl
  4. "snuit" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  5. licg.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be