sok - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Sokken

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A]+[B] enkelvoud meervoud
naamwoord sok sokken
verkleinwoord sokje sokjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de sok v / m

  1. (kleding) kous die tot net boven de enkel komt
    • Na alle ellende met de banken en zakkenvullerij had de oude man net als in de crisistijd zijn geld maar weer in een ouwe sok onder het bed gestopt.
      Om te voorkomen dat ik blaren zou krijgen had ik een dubbele laag sokken aangedaan (Darn Tough en Injinji teensokken).[6]
  2. (dierkunde) bij viervoeters het anders gekleurde, onderste deel van de poot
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Weglopen

Winnen zonder enige moeite te hoeven doen

Een groot en plomp iemand

Een lafbek

Tegen de grond gaan, flauwvallen, omvallen etc.

Vertalingen

1. kous die tot net boven de enkel komt

Zelfstandig naamwoord

[B] de sok m

  1. (techniek) verbindingsstuk dat over twee buizen geschoven wordt om ze te verbinden, mof [3]
    De rubberen sok verbindt de twee delen en wordt bij het ouder worden hard en zal gaan scheuren.[7]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. sok op website: Etymologiebank.nl
  3. "sok" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. sok op website: Etymologiebank.nl

  6. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  7. Bronlink geraadpleegd op 12 oktober 2018 “Gebouwen en voorzieningen B Ongestoord verblijf”
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be