solo - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord solo solisolo's
verkleinwoord solootje solootjes

Zelfstandig naamwoord

de solo m

  1. het alleen optreden
    • Zij zingt een solo.
  2. het alleen uitvoeren van een reeks acties in een sportwedstrijd
    • Hij scoorde na een prachtige solo.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "solo" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. solo op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking

| | enkelvoud | meervoud | | | -------------------------------------------------------------- | -------------------------------------------------------- | ----------------------------------------------- | | mannelijk | solo | solos | | vrouwelijk | sola | solas |

Bijvoeglijk naamwoord

solo

  1. eenzaam, alleen
Synoniemen

Verwijzingen