spaak - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spaak spaken
verkleinwoord spaakje spaakjes

Zelfstandig naamwoord

de spaak v / m

  1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
    • De spaak was gebroken, maar dat hinderde niet.
  2. (gereedschap) staaf als hefboom
Synoniemen
Hyponiemen
boksspaak bootsspaak draadspaak driespaak fietsspaak gangspilspaak handspaak koningsspaak spilspaak stuurwielspaak voorwielspaak wielspaak windspaak
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "spaak" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be