sperma - WikiWoordenboek (original) (raw)
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sper·ma
Woordherkomst en -opbouw
- van Latijn sperma van Oudgrieks σπέρμα (spérma) "zaad", in de betekenis van ‘mannelijk zaad’ aangetroffen vanaf 1685 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | sperma | - |
| verkleinwoord | spermaatje | spermaatjes |
Zelfstandig naamwoord
het sperma o
- (anatomie) vloeistof met zaadcellen zoals die door mannelijke dieren wordt geproduceerd
- Bij inseminatie wordt sperma ingebracht.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- perisperm, sperma-injectie, spermabank, spermacel, spermacide, spermadonor, spermarietje, spermaspons, spermicide
Vertalingen
Gangbaarheid
- Het woord sperma staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "sperma" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
|---|---|
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ sperma op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "sperma" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Italiaans
Zelfstandig naamwoord
sperma m