spijs - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spijs spijzen
verkleinwoord spijsje spijsjes

Zelfstandig naamwoord

de spijs v / m

  1. (voeding) bereid voedsel; maaltijd
    • De spijzen werden opgediend.
  2. (voeding) min of meer vloeibaar of kneedbaar mengsel, dat gebruikt wordt voor de bereiding van bepaalde producten
    • Paasbrood gevuld met spijs.
  3. door baggeren of uitgraven verkregen grond
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spijzen

spijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spijzen
    • Ik spijs.
  2. gebiedende wijs van spijzen
    • Spijs!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spijzen
    • Spijs je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "spijs" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. spijs op website: Etymologiebank.nl
  3. spijs op website: Etymologiebank.nl
  4. spijs op website: Etymologiebank.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be