spoor - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spoor sporen
verkleinwoord spoortje spoortjes

Zelfstandig naamwoord

het spoor o

  1. (spoorwegen) twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein of tram rijdt
    Het station wordt compleet vernieuwd: er komt een voetgangerstunnel, er worden sporen vernieuwd en verlegd en het busstation wordt verplaatst. Volgens ProRail kunnen reizigers daardoor straks sneller en makkelijker overstappen.[2]
  2. (spoorwegen) spoorwegmaatschappij
    • Het is een mooie dag om met het spoor naar Zandvoort te gaan.
  3. vooraf gemaakte doorgang door een verder ongebaand terrein (ook fig.)
    Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.[3]
  4. afdruk; teken dat iemand ergens is of is geweest
    • In de sneeuw waren de sporen te zien van enige konijnen.
      Wanneer ik beneden kom, is er nog steeds geen spoor van Gijs.[4]
      Het zal u zijn opgevallen dat het hotel hier en daar sporen vertoont van achterstallig onderhoud. We hebben nu eenmaal niet zoveel gasten meer als vroeger. Ook daaraan wil meneer Wang iets doen. Hij streeft naar een volle bezetting.[5]
  5. (techniek) deel van een magneetband waarop de informatie van één kanaal is vastgelegd
  6. (techniek) afstand tussen twee op dezelfde as staande wielen
  7. v m (biologie) voortplantingsorgaan bij schimmels en bacteriën, spore
  8. v m (beschrijvende plantkunde) hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
  9. v m metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    • Hij gaf het paard de sporen.
  10. v m (zoötomie) doornachtige uitsteeksel aan de poten van mannelijke, hoenderachtige vogels
  1. (figuurlijk) een zeer kleine hoeveelheid van iets, of een vage aanwijzing dat ergens sprake van is
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

De weg niet meer weten

Goede raad geven

Iets dat men zoekt bijna gevonden hebben

Ervoor zorgen dat iemand geen verkeerde dingen doet

Zijn bekwaamheid bewezen hebben

Vertalingen

1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt

8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon

9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars

10. doornachtige uitsteeksel aan de poten van mannelijke, hoenderachtige vogels

Werkwoord

vervoeging van
sporen

spoor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sporen
    • Ik spoor.
  2. gebiedende wijs van sporen
    • Spoor!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sporen
    • Spoor je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1 2 "spoor" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 10 mei 2025 Weblink bron “Station Groningen ruim twee maanden dicht vanwege verbouwing” (10 mei 2025), NOS

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia

  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
spoor spoors

Zelfstandig naamwoord

  1. spoor (afdruk).