spruit - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

[2] Spruitjes.

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spruit spruiten
verkleinwoord spruitje spruitjes

Zelfstandig naamwoord

de spruit m

  1. (beschrijvende plantkunde) een uitloper aan een plant
    • Er zitten een heel stel nieuwe spruiten aan die plant.
  2. (groente) een uitloper van de spruitkool Brassica
    • We hebben lekker spruitjes gegeten.
      Niemand is geïnteresseerd in het verhaal van een adellijke dochter van vlees en bloed, een dochter die in haar bed plaste, die zich verveelde, ruziemaakte met haar familie en net als elk sterfelijk kind haar neus optrok voor spruitjes. Ik wil echter ook niets afdoen aan de bewieroking van de prinses, want zowel de aanbedene als degenen die aanbidden ontlenen daar te veel plezier aan.[3]
  3. overdrachtelijk iemands kinderen
    • Ik moet nog even de spruiten naar bed brengen.
    • Dean en zijn vriendin Jamie werden vorige week ouders van hun eerste kindje. De zanger is zelf geboren in Londen en toevallig is dit ook de naam geworden voor de kleine spruit. "Tot mijn verbazing kwam Jamie er opeens mee. En omdat zoveel familie die ik liefheb in Londen woont, vond ik het een superidee." [4]
  4. (scheepvaart) een onderdeel van de verstaging van een zeilschip
    • De achterstag kan direct midden achter de mast aan de romp van het schip bevestigd zijn, maar kan ook middels een spruit bevestigd worden.
  5. (molenaarsambacht) een van twee horizontale balken waaraan de staart van een bovenkruier bevestigd is
    • De lange spruit zit met de twee lange schoren onder aan de staartbalk vast en de korte spruit met de twee korte schoren.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. een uitloper aan een plant

2. een uitloper van de spruitkool

Werkwoord

vervoeging van
spruiten

spruit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spruiten
  2. gebiedende wijs van spruiten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "spruit" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. spruit op website: Etymologiebank.nl

  3. Danielle Teller (vert. Marja Borg)
    “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  4. De Telegraaf 05 feb. 2013 Speciale tattoo voor Dean Saunders
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord spruit spruite

Zelfstandig naamwoord

spruit

  1. spruit (uitloper, loot)
  2. spruit (kind)
  3. een riviertje.
    «'n Droge spruit
    Een riviertje dat soms droog staat.