stand - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Gelijkklinkende woorden
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord stand standen
verkleinwoord standje standjes

Zelfstandig naamwoord

[A] de stand m

  1. hoe of waar iets staat
    • Dat hangt van de stand van de zon af.
    • Kun je de schakelaar s.v.p. in de stand 'midden' zetten?
      Aan de stand van de zon te zien gaat haar huwelijksplechtigheid bijna beginnen.[6]
  2. sociale positie in de maatschappij
    • Zulk gedrag past niet bij zijn stand.
      ' 4 Cynth trouwde met Samuel voor de burgerlijke stand in Wandsworth, in een kleine ruimte die rook naar bureaucratie en goedkoop parfum, met donkergroene muren en ijzeren stoelen.[7]
  3. puntentelling bij een wedstrijd of een aantal cijfers op een paneel (meter)
    • De stand is nu drie-nul voor de Belgische dames.
  4. berisping (alleen als verkleinwoord) zie: standje
  5. (biologie) grootte van de populatie van een soort in een bepaald gebied
    • De stand van de zeehonden en de zeeschildpadden zullen door die olieramp een geduchte knauw krijgen.
  6. in stand houden: zorgen dat iets niet verloren gaat
    Ze dacht aan De boomgaard op haar zolderkamer, haar volmaakte, veelkleurige paradijs, en schaamde zich voor haar eigen onwetendheid, voor de vasthoudendheid waarmee ze haar buitenlandse sprookje in stand wilde houden.[7]
Verwante begrippen
  1. register van een overheid waarin de namen van burgers van een bepaald gebied zijn opgeschreven
    Cynth trouwde met Samuel voor de burgerlijke stand in Wandsworth, in een kleine ruimte die rook naar bureaucratie en goedkoop parfum, met donkergroene muren en ijzeren stoelen.[7]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

A 1. hoe of waar iets staat

A 2. sociale positie in de maatschappij

[B] enkelvoud meervoud
naamwoord stand stands
verkleinwoord standje standjes

Zelfstandig naamwoord

[B] de stand m

  1. plaats op een tentoonstelling waar producten vertoond worden
    • Hij was vooral nieuwsgierig naar de stand van zijn concurrent.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

B. plaats op een tentoonstelling

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. stand (houding, gesteldheid) op website: Etymologiebank.nl
  3. 1 2 "stand" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. stand (uitstalkraam) op website: Etymologiebank.nl

  6. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  7. 1 2 3
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Uitspraak
Woordafbreking

Werkwoord

stand

  1. eerste persoon enkelvoud aantonende wijs verleden tijd van stehen
  2. derde persoon enkelvoud aantonende wijs verleden tijd van stehen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stand stands

Zelfstandig naamwoord

stand

  1. positie, stand [1]
  2. standpunt, stellingname
  3. stelling
  4. (techniek) staander, statief
  5. kraam, stand [6]
  6. podium, tribune
  7. (juridisch), (Amerikaans Engels) getuigenbank
  8. (bosbouw) opstand [2]
vervoeging
onbepaalde wijs to stand
he/she/it stands
verleden tijd stood
voltooid deelwoord stood
onvoltooid deelwoord standing
gebiedende wijs stand

Werkwoord

stand

  1. onovergankelijk (rechtop) staan [1]
  2. onovergankelijk zich ergens bevinden
  3. onovergankelijk stilstaan
  4. onovergankelijk gelden [2], in werking zijn, van kracht zijn
  5. onovergankelijk, (scheepvaart) koersen
  6. overgankelijk rechtop neerzetten/plaatsen
  7. overgankelijk doorstaan, ondergáán
  8. overgankelijk dulden, verdragen
  9. overgankelijk trakteren op