stichten - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs verleden tijd voltooid deelwoord
stichten stichtte gesticht
zwak -t volledig

Werkwoord

stichten

  1. overgankelijk de grondslag voor iets leggen, iets instellen
    • Kaapstad werd in 1652 gesticht door Jan van Riebeeck en zijn mannen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een gezin stichten.

Vertalingen

1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen

een gezin stichten

Zelfstandig naamwoord

de stichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sticht

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. "stichten" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be