stofwolk - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stofwolk stofwolken
verkleinwoord stofwolkje stofwolkjes

Zelfstandig naamwoord

de stofwolk v / m

  1. een hoeveelheid opgejaagd stof
    • De snelle sportauto liet een grote stofwolk achter toen hij over de zandweg reed.
      Ik blies mijn rook uit in de richting van het stofwolkje dat de taxi als herinnering had achtergelaten in de verte aan het einde van de oprijlaan, waar het bos begon.[1]
      Een jonge jongen in een Schotse rok kwam keihard in een stofwolk de berg af rennen en sprong onmiddellijk op Pogues rug.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen