stom - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stom stommer stomst
verbogen stomme stommere stomste
partitief stoms stommers -

Bijvoeglijk naamwoord

stom

  1. geluidloos
    • Een stomme film.
  2. (medisch) niet in staat te spreken
    • Het maakte hem stom van verbazing.
      Eerst dacht ik dat hij misschien verlegen of zelfs stom was, maar opeens schreef hij een korte vraag in een klein notitieblokje en vulde het aan met wat eenvoudige gebaren.[3]
  3. weinig intelligent
    Zelf belde ik ook niet, want ik schaamde me en voelde me zo'n stomkop - echt een stom kind, zoals Cynth die avond ongetwijfeld tegen Sam had gezegd.[4]
    Waarschijnlijk gaf ze haar loon uit aan haarlak en pulpromannetjes, maar was ze nog te stom om die zelfs maar te lezen.[4]
    • Tja, dat was stom van me, natuurlijk.
  4. (informeel) ergerlijk, vervelend, irritant
    • Wat een stom gedoe!
  5. (informeel) saai en waardeloos, niet cool
    • Ik moet een stomme opdracht maken.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

2. niet in staat te spreken

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "stom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. stom op website: Etymologiebank.nl

  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be