stomp - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stomp stompen
verkleinwoord stompje stompjes

Zelfstandig naamwoord

de stomp m

  1. een ingekort vormeloos uitsteeksel
    • Er bleef na de amputatie niet meer dan een stompje van zijn vinger over .
  2. een pijnlijke stoot met de gebalde vuist
    • Je zou hem een stomp geven!
Hyponiemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stomp stomper stompst
verbogen stompe stompere stompste
partitief stomps stompers -

Bijvoeglijk naamwoord

stomp

  1. iets dat zijn scherpte verloren heeft
    • Met zo'n stomp potlood kun je toch niet tekenen!
  2. (wiskunde) groter dan 90 graden
    • Dit is een stompe hoek.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

1. iets dat zijn scherpte verloren heeft

1. een pijnlijke stoot met de gebalde vuist

Werkwoord

vervoeging van
stompen

stomp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stompen
    • Ik stomp.
  2. gebiedende wijs van stompen
    • Stomp!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stompen
    • Stomp je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. "stomp" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. stomp op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be