strot - WikiWoordenboek (original) (raw)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
enkelvoud meervoud
naamwoord strot strotten
verkleinwoord strotje strotjes
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

de strot v / m

  1. (anatomie) strottenhoofd, keel
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Ik ben het helemaal zat, ik heb er helemaal genoeg van

Iemand tegen diens zin iets opdringen

Iets niet lusten

Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. "strot" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. strot op website: Etymologiebank.nl

  4. Harstad, Johan
    Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 13
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be